Uitspraak GGZ Breburg / Tilburg: aanbesteding niet proportioneel

Algemeen, Geschillen, zorg

Een aanbesteding voor jeugdzorg van de Gemeente Tilburg is door de rechter verboden. De gemeente moet volgens de rechter rekening houden met de eisen uit de Jeugdwet, en moet proportioneel en doelmatig zijn, zoals volgens de Aanbestedingwet. Op basis van de eisen in de jeugdwet en de onderbouwing van de kostprijs van de GGZ Breveld, concludeert de rechter dat dat niet het geval is. In de uitspraak gaat de rechter gedetailleerd in op de bezwaren van GGZ Breburg over de berekening van de kostprijs. De gemeente gaat niet beargumenteerd tegen de onderbouwing van de prijs in, maar beroept zich erop dat het de verantwoordelijkheid is van GGZ om de uitvraag van de gemeente kostendekkend uit te voeren.

Uit de aanbestedingsstukken wordt volgens de rechter niet duidelijk hoe de zorgverlener diensten levert, zodanig dat die aan de eisen van goede kwaliteit, capaciteit en continuïteit voldoen. Of de eisen die de gemeente stelt, wel proportioneel en doelmatig zijn, volgens de Aanbestedingswet, beoordeelt de rechter aan de hand van de eisen in de Jeugdwet en de door de gemeente geboden tarieven.

Consultatie

Volgens GGz Breburg is de kostprijs voor ‘Consultatie’ € 106,66 en is het in strijd met het proportionaliteitsbeginsel om de door haar verleende consultatie wel te verlangen, maar deze niet te vergoeden. De gemeente gaat ervan uit dat consultatie alleen incidenteel plaatsvindt en onderdeel is van de dienstverlening (collegiale dienstverlening).

De rechter stelt vast dat op basis van de Jeugdwet Consultatie wel verplicht is, maar ook dat de gemeente wel degelijk vraagt om Consultatie, wat ook blijkt uit de beantwoording bij de Nota van Inlichtingen. Bovendien vindt de rechter het aannemelijk dat de GGZ in tegenstelling tot de andere (veel kleinere) aanbieders van jeugdzorg veel vaker om consultatie gevraagd.

Volgens de rechter is dat ook in strijd met artikel 1.10. Aw, waaruit onder meer de voorwaarde voortvloeit dat de geboden prijs in overeenstemming moet zijn met de gevraagde dienst. (4.11 AW).

Hoogspecialistisch

GGz Breburg verwijt de gemeente verder dat voor Jeugd-GGZ specialistische behandeling slechts één productcode 54002 is vastgesteld met een tarief van € 94,05 per uur. Volgens de GGZ Breburg had ook nog een apart tarief voor Jeugd GGZ-behandeling Hoogspecialistisch in rekening moeten worden gebracht. Dat staat ook in de handreiking van de VNG.

GGz Breburg heeft volgens de rechter twee bezwaren tegen de aanbesteding.
Het ene bezwaar gaat over dat de gemeente heeft verzuimd om de categorieën ‘Consultatie’ en ‘Hoogspecialistische Jeugdhulp’ in de aanbesteding op te nemen en daarbij tarieven vast te stellen. GGz Breburg stelt dat het niet vergoeden van deze diensten, die wèl door GGz Breburg (moeten) worden verricht, strijd met artikel 1.10. Aw oplevert.
Het andere bezwaar gaat erover dat vier door de gemeente vastgestelde tarieven niet reëel zijn en onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Dat geldt voor de navolgende categorieën:

  • prestatiecode 54002 Jeugd GGZ behandeling specialistisch;
  • prestatiecode 54004 Jeugd GGZ diagnostiek
  • prestatiecode 52412 Jeugd GGZ verblijf deelprestatie E (intensieve verzorgingsgraad)
  • prestatiecode 52413 Jeugd GGZ verblijf deelprestatie F (extra intensieve verzorgingsgraad)

Volgens de rechter staat het de gemeente dan ook vrij om te beoordelen of zij het al dan niet wenselijk acht om een productcode 54003 Hoogspecialistische hulp op te nemen. De gemeente heeft er voor gekozen om voor de Jeugd-GGZ geen differentiatie aan te brengen en te kiezen voor één productcode 54002 Jeugd-GGZ behandeling specialistisch. Die keuze is de beoordelingsvrijheid van de aanbestedende dienst.

Onder de kostprijs 

Volgens GGz Breburg zijn de uurtarieven van de vier door haar genoemde productcodes ontoereikend om haar kosten te dekken. De gemeente stelt zich op het standpunt dat het aan GGz Breburg is om haar organisatie zodanig in te richten dat de geboden tarieven wel kostendekkend zijn. Volgens de gemeente is het niet aan haar om te zorgen dat GGz Breburg met de geboden tarieven een verlieslijdende exploitatie kan voorkomen. De gemeente heeft in dit verband verwezen naar andere inschrijvers die wèl zorg kunnen verlenen voor het vastgestelde tarief. Dat de kostprijs van GGz Breburg gemiddeld hoger ligt en dus een verliesgevende situatie zal opleveren voor haar, is een omstandigheid die voor haar risico moet komen, aldus de gemeente.

De rechter gaat daar niet in mee. Volgens de rechter miskent de gemeente de bijzondere positie van GGz Breburg, ten opzichte van de andere aanbieders. Bij deze aanbesteding wordt door de gemeente een uiteenlopend scala aan dienstverlening gevraagd, niet alleen ambulant, maar ook intramuraal, die op grond van de Jeugdwet ook door het college van B&W beschikbaar moet worden gesteld. Als een instelling als GGz Breburg zich er op toelegt om dat gehele scala aan diensten te verlenen, onderscheidt zij zich van andere zorgaanbieders.

De rechter: “Het in stand houden van een dergelijke grote en brede non-profit instelling gaat met een andere kostenstructuur gepaard dan het in stand houden van een praktijk aan huis of een kleine instelling met een geringer pakket aan diensten.” (4.17)

Daarbij is het volgens de rechter een taak van de gemeente om zorgvuldig onderzoek te doen naar “ook voor GGz Breburg reële tarieven voor de diensten waar het hier om gaat en die zij, op de in de Jeugdwet vermelde uitgangspunten, beschikbaar dient te stellen.” (4.19)

Onvoldoende onderbouwd

Jeugdzorg fulmineert ook tegen een rapport v

©ZaZ 2017

an Rebel, dat de VNG heeft gebruikt ter onderbouwing van de in de VNG Handreiking genoemde tarieven. In dat rapport wordt bepleit voor de inzet van minder dure professionals en het demedicaliseren van de jeugdzorg. Het memo van Rebel is niet onderbouwd met enige berekeningen of andere documenten, en kan volgens GGZ Breburg niet dienen als onderbouwing van de stelling dat de gemeente de onderhavige tarieven zorgvuldig en in overeenstemming met de eisen van de Aw en de Jeugdwet heeft vastgesteld.

“In reactie op de stelling in het rapport Rebel dat herstelgerichte aanpak alleen bereikt zou kunnen worden door inzet van minder dure professionals en door het demedicaliseren van de jeugdzorg stelt GGz Breburg dat ook zij voorstander is van zo licht mogelijke zorg en behandeling, maar de realiteit is dat, als de lichtere zorg niet werkt, jeugdige patiënten uiteindelijk terecht komen bij GGz Breburg, omdat andere zorgaanbieders, vaak ten einde raad, naar haar verwijzen. GGz Breburg wil waken voor onderzorg omdat onderbehandeling in de kindertijd leidt tot significante toename van psychiatrische stoornissen later in het leven. Zij licht toe dat Hoogspecialistische hulp nu eenmaal niet kan worden verricht door relatief laag gespecialiseerd goedkoper personeel en dat het onmogelijk is om medewerkers te ontslaan om deze vervolgens tegen een aanmerkelijk lager salaris hetzelfde werk te laten doen. Bovendien is er nu reeds een tekort aan psychiaters, klinisch psychologen, GZ psychologen, psychotherapeuten, systeemtherapeuten, verpleegkundig specialisten en verpleegkundigen.”

De rechter erkent dat het Rebel-rapport op zichzelf onvoldoende is om vast te stellen of de gemeente de onderhavige tarieven zorgvuldig en in overeenstemming met de eisen van de Aw en de Jeugdwet heeft vastgesteld. Dat geldt ook algemener. De gemeente heeft geen stukken ter weerspreking van de kostprijs aangevoerd. Hierdoor

” is niet controleerbaar of de gemeente, zoals zij betoogt, heeft voldaan aan de eisen van proportionaliteit als verwoord in artikel 1.10 Aw en de in artikel 2.12 Jeugdwet gestelde eis van de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de leveringvan jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, waarbij rekening moet worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden en of de gemeente zorgvuldig heeft gehandeld. Het verweer is dan ook onvoldoende gemotiveerd en wordt verworpen.” (4.23)

 

Heraanbesteding

De voorzieningenrechter verbiedt de gemeente om nog overeenkomsten te sluiten op basis van de gevoerde aanbesteding. Als de gemeente alsnog de opdracht wil gunnen, moet het een heraanbesteding organiseren met inachtneming van het vonnis.

Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2017:7312

 

 

Geef een reactie