Parnassia verliest rechtszaak Jeugdzorg Rijnmond voor meer budget bij aanbesteding

Zorginstelling Parnassia heeft een rechtszaak aangespannen tegen Rotterdam Rijnmond om te vorderen dat het totaalbedrag dat beschikbaar is voor de opdracht (jeugdzorg) zou worden verhoogd van circa € 38.200,00 per jaar naar het bedrag van € 54.580,00 per jaar, omdat er veel meer jeugdigen zijn zorg nodig hebben dan de inkoopsamenwerking stelt. Volgens de rechter is het niet aannemelijk geworden dat er daadwerkelijk meer jeugdigen zorg nodig hebben en wijst alle vorderingen van Parnassia af.

De uitspraak is al op 24 oktober gedaan, maar pas op 8 november gepubliceerd. Aanbieders Yulius, Fier en Impegno hebben volgens ingewijden laten weten niet in beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechter. De andere zorgaanbieders konden woensdag nog niet zeggen of zij hoger beroep aantekenen.

Bron: Pixabay 2017, GoranH

Hoeveelheid kinderen 

Parnassia baseert het tekort van € 16.368.000,00 aan budget op basis van het aantal van 19.190 jeugdigen waarvoor hulpverlening moet worden geboden.

Parnassia beroept zich in haar dagvaarding voorts op het aantal kinderen in ambulante hulp in 2016 in Rijnmond volgens het Centraal Bureau voor Statistiek, 19.190, en stelt dat Jeugdhulp Rijnmond gelet op dat aantal van 19190 niet slechts voor 14.000 (aantal genoemd in Nota van Inlichtingen) respectievelijk 15700 (aantal genoemd in beschrijvend document) jeugdigen opdracht E kon aanbesteden. Daarnaast maakt zij een eigen inschatting voor 2018 door de jeugdigen die in 2017 op de wachtlijst staan bij voornoemd aantal van 19.190 op te tellen.

De voorzieningenrechter vindt dat aantal niet aannemelijk, omdat Jeugdhulp Rijnmond dit weerspreekt en zegt dat het aantal niet te vinden is op de website van het CBS. De rechter heeft geen tijd om het uit te zoeken in een kort geding. “Dat betekent ook dat de door Parnassia gestelde negatieve gevolgen van onvoldoende inkoop van jeugdhulp niet op deze grond kunnen worden aangenomen. Parnassia had zijn stelling verder nader moeten onderbouwen.”

Vrijheid gemeente

Volgens de kort gedingrechter in Rotterdam staat het de gemeente, als aanbestedende dienst, vrij om te bepalen wat het vraagt in een aanbesteding. Die vrijheid is alleen beperkt door de beginselen van het aanbestedingsrecht en de Gids Proportionaliteit.

Daarmee staat de uitspraak haaks op de uitspraak GGZ Breburg / Tilburg waarin de rechter aan de hand van de Jeugdwet toetst of de eisen die gesteld worden kunnen kloppen met de vraagprijs, omdat dit anders een niet-proportionele aanbesteding oplevert. Ingrijpen in de aanbesteding kan volgens de rechter niet zomaar. De rechter gaat het allemaal niet aan. Het is niet de verantwoordelijkheid van de rechter om te bepalen hoe groot het budget moet zijn.

“Het ingrijpen kan in zijn algemeenheid echter niet zover gaan dat de omvang van de opdracht door de voorzieningenrechter wordt gewijzigd en dat de aanbestedende dienst verplicht wordt de aanbestedingsprocedure voort te zetten uitgaande van de gewijzigde (omvang van de) opdracht. In dit geval raakt de gevorderde – budgettair zeer aanmerkelijke – wijziging van het “Totale productieplafond” van opdracht E de kern van de opdracht. Daarbij komt dat het niet aan de voorzieningenrechter is te bepalen wat het budget voor jeugdzorg moet zijn. Ingrijpen door de voorzieningenrechter is reeds daarom niet op zijn plaats. De vordering om Jeugdhulp Rijnmond te gebieden het “Totale Productieplafond”, oftewel de omvang van de opdracht en het budget daarvoor, te verhogen van het door Jeugdhulp Rijnmond begrote bedrag van circa € 38.200,00 per jaar naar het bedrag van € 54.580,00 per jaar zal op grond van het voorgaande worden afgewezen.”

Verantwoordelijkheid gemeente

Parnassia kan zich bovendien volgens de rechter niet zelfstandig beroepen op een zorgplicht. Volgens de rechter ligt de verantwoordelijkheid daarvoor bij de gemeente. Parnassia heeft geen reden om aan te nemen dat de inkoopsamenwerking de Jeugdwet gaat overtreden. Dat staat haaks op de eveneens recente uitspraak van de kort gedingrechter in Breda, van GGZ Breburg tegen Tilburg, waarin de rechter wel tot die conclusie kwam.

De Rotterdamse rechter: “De Jeugdwet heeft een ander doel dan de Zvw en neemt de verantwoordelijkheid van de gemeente voor het bieden van jeugdhulp […] als uitgangspunt. De verplichtingen rusten op gemeenten ten behoeve van de jeugd en niet ten behoeve van zorgaanbieders en het initiatief moet liggen bij de gemeenten. Niet kan worden aangenomen dat Parnassia als zorgaanbieder aanspraak op naleving van die verplichtingen kan maken, terwijl op Parnassia ook geen wettelijke zorgplicht in het kader van die verplichtingen rust.” (4.16)

(In de gechargeerde woorden van de Redactie van Aanbestedingsnieuws suggereert de rechter hier dat Parnassia de kinderen onder haar hoede maar gewoon laat stikken, en het hypothetische overschot aan suicidale kinderen doorverwijst naar het stadhuis, naar de inkoopsamenwerking Jeugdhulp Rijnmond, voor de zorg die ze nodig hebben. Het is niet aan Parnassia om die zorg op te pakken. Jammer jôh, had je psychiater jullie zorgbehoefte maar beter moeten onderbouwen, in de aanbesteding.)

Geen spoedappel

Parnassia vraagt bovendien om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorbaat te verklaren. Dat is een procedurele bijzonderheid. Zo kan er namelijk een spoedappel worden ingesteld bij het Hof. Daar is de rechter het niet mee eens want dat doorkruist het stelsel van het Aanbestedingsrecht. De overeenkomst is onaantastbaar geworden op basis van de Aanbestedingswet 4.15 lid 1 Aw.

“Toewijzing van de vordering verhoudt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met het stelsel van de Aanbestedingswet dat erop neer komt dat inschrijvers en andere belanghebbenden tegen de gunningsbeslissing dienen op te komen voordat de overeenkomst is gesloten, waartoe hun een termijn wordt gelaten waarvan de niet-inachtneming door de aanbestedende dienst leidt tot vernietigbaarheid van de overeenkomst. Is die termijn verstreken of een verzoek om een onmiddellijke voorziening met betrekking tot de gunningsbeslissing gedaan en daarop door de voorzieningenrechter (of het scheidsgerecht) in eerste aanleg afwijzend beslist, dan is de nadien tot stand gekomen overeenkomst alleen aan te tasten in de bijzondere gevallen genoemd in art. 4.15 lid 1 Aanbestedingswet 2012 (waarvan in dat geval de grond die daar onder b wordt genoemd, niet meer aan de orde is, omdat die het geval betreft dat de termijn niet in acht is genomen dan wel de uitspraak van de rechter of het scheidsgerecht in eerste aanleg niet is afgewacht). Het bieden van een ruimere mogelijkheid om het aangaan van de overeenkomst voorafgaand aan een uitspraak in hoger beroep te voorkomen, zou op gespannen voet staan met de beperking van de periode waarbinnen volgens art. 4.15 lid 2 Aanbestedingswet 2012 vernietiging op grond van art. 4.15 lid 1 Aanbestedingswet 2012 kan worden gevorderd. Vergelijk ECLI:NL:HR:2016:2638. “

Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2017:8489

 

Zie ook:

http://www.binnenlandsbestuur.nl/sociaal/nieuws/rijnmond-wint-kort-gedingen-aanbesteding.9575216.lynkx

redactie Auteur

Geef een reactie